Velduil
Van oudsher is de velduil een zeldzame broedvogel met jaarlijks hooguit enkele paren. Ook in deze eeuw is de soort nog af en toe broedend met maximaal 1 paar.
LEEGE(1907) Vermeldt dat de soort zo nu en dan eens broedde. Volgens J. Cupido Sr. Was zij in die periode algemener dan tegenwoordig en waren er vermoedelijk wel verscheidene paartjes. VAN DOBBEN (1932) vermeldt de vondst van een nest in 1932 in de Meeuwenduinen. In 1933 nam G.J. van Oordt op 24 mei 1 ex. Waar in de Meeuwenduinen. Volgens MŐRZER BRUIJNS (1937) broedde er zo nu en dan een paar, maar hij wist niet of dit in 1937 het geval was. Hierna volgt een periode, waarui geen zekere waarnemingen bekend zijn, die op broeden wijzen. Blijkens Limosa 33:150 werd de soort tijdens periodieke vogeltellingen in de jaren 1953-1956 slechts eenmaal gezien in april. In 1959 werd echter weer een nest gevonden in de Meeuwenduinen (A.A. Blok) en in 1964 in de duinen achter de Oude Kooi(Limosa 39:66). Uit de zestiger jaren zijn verschillende waarnemingen bekend uit het broedseizoen. (Bron: De vogels van Vlieland A.L. Spaans en C. Swennen)
Friesche vogelnaam / Fryske fûgelnam: fjildûle (voorheen katûle)






