De psychologie van de foute determinatie

Een samenvatting van de lezing die gegeven is op de DBA-dag van 17 januari 2009 te Lunteren

Wim Janssen, Wim Wiegant, Leo Heemskerk

Inleiding

Het herkennen van vogels is meestal eenvoudig, maar soms niet! Vooral vluchtige waarnemingen, verre waarnemingen en moeilijk herkenbare soorten kunnen problemen opleveren. In dit artikel zullen we ingaan op de problemen die zich kunnen voordoen bij het herkennen van vogels.

Geen Sperwer geen Havik maar een Sharp-Shinned Hawk
Een Sperwer of een Havik ? Wie zou er aan een Amerikaanse Sperwer denken? Foto: Mike Lascut

Er zijn een aantal manieren waarop het mis kan gaan tijdens de herkenning. Een aantal elementaire fouten bij de herkenning kan worden samengevat met ‘de drie O’s’:
• onervarenheid;
• onbekendheid;
• onnozelheid.

Onervarenheid zien we als een beginnende vogelaar een zeldzame vogel claimt, terwijl hij niet echt goed heeft gekeken. Een Sneeuwuil, die ooit op Ameland was gezien, door het zoontje van een boswachter, in de vroege avondschemering, bleek uiteindelijk een Geelkuifkaketoe te zijn!

Onbekendheid met de soort is ook een belangrijke beginnersfout. Heel vaak hoor je dat een zeldzame soort wordt geclaimd waarvan je denkt :”Op de volgende bladzijde van het boek staat de soort die het wel is...!” De Azuurmees is een heel goed voorbeeld. Die wordt nog wel eens geclaimd, maar dan blijkt het vaak een Staartmees te zijn.

Onnozelheid kan optreden als maar één kenmerk wordt gebruikt om een vogel te herkennen: een wit vleugelveld is goed voor een Grote Trap, maar precies net zo goed voor de Nijlgans!

Azuurmees - Staartmees
Een bekende misidentificatie: niet een Azuurmees (links), maar een Staartmees (rechts)! Foto: Wim Wijering

In de rest van dit artikel willen we ons bezighouden met wat meer serieuze elementen van de psychologie van de foute waarneming, die ook kunnen optreden bij de meer ervaren vogelaars. Via de werking van het oog en de verwerking van visuele impulsen gaan we naar de verwerking van de visuele gegevens in het geheugen en de werking van het geheugen zelf, en vooral de fouten die bij deze processen kunnen optreden.

De verwerking van visuele prikkels

Het menselijk (en het dierlijk) oog is een bijzonder ingewikkeld orgaan. Het oog neemt maar een heel klein deel van het beeld dat je ziet echt acuut waar, en door je oog voortdurend heel snel heen en weer te bewegen bouw je een totaalbeeld op. De hersenen hebben het daar heel druk mee: er zijn in de hersenen wel 40 gebieden aan te wijzen die actief zijn met de verwerking van visuele informatie.

Al die gebieden werken samen om een totaalplaatje samen te stellen. De hersenen zijn daar voortdurend mee bezig. je hebt delen in je hersenen die reageren op schrikbeelden (Help, een muis!), voordat de verdere verwerking plaatsvindt. Heel bijzonder is het deel van de hersenen dat speciaal is gewijd aan de herkenning van gezichten. Dit deel van de hersenen is in staat om gezichten te zien en te herkennen, ook als ze voor een groot deel zijn bedekt, of als ze half zijn afgewend. Dit deel van de hersenen is ook voor vogelaars van belang. Onderzoek heeft aangetoond dat het hersengebied dat zich bezighoudt met gezichtsherkenning bij ervaren vogelaars ook actief is bij het herkennen van vogels.

Gauthier Nature Neuroscience et al.
Een autokenner (boven) en een vogelkenner (beneden) kijken naar gezichten (links), auto’s midden en vogels (rechts). Het groenomrande gebied is het hersendeel voor de gezichtherkenning, dat bij zowel autokenner als vogelkenner actief is. Het gebied voor de gezichtherkenning is bij de autokenner actief als hij auto’s ziet, maar bij de vogelkenner is het gezichtsgebeid is bij de vogelaar actief bij de herkenning van vogels

Dit maakt dat de ervaren vogelaar veel sneller kan herkennen dan een beginner. De beginner loopt rustig alle kenmerken langs, de kenner “weet” de kenmerken allemaal tegelijk en kan ook goed met de “jizz” van de vogel terecht. Alleen, soms werkt het “vogelboek”in de hersenen van de kenner niet zo goed en worden vergissingen gemaakt.

INTERMEZZO: De ‘Jennifer Anniston’ cel


Nog niet zo lang geleden is ontdekt, dat er in de hersenen voor iedereen die je kent één cel aanwijsbaar is die alleen is gewijd aan die persoon. Je hebt voor de herkenning en voor het denken aan iemand tientallen miljarden hersencellen actief, maar er is er één die speciaal aan één persoon is gewijd. Deze cel wordt ook wel de Jennifer Anniston cel genoemd, naar de actrice uit de situatiekomedie Friends die op televisie te zien is geweest.

De ‘Jennifer Anniston’ cel
Met de klok mee: Dwerguil Foto Garry Bakker, Giervalk Foto Rein Hofman , Sneeuwuil Foto Roland Jansen, Jennifer Anniston, Bonte Zanger, Black-throated Blue Warbler Foto Lloyd Spitalnik

Als je er verder over nadenkt moet er dus voor alles wat je kent een speciale hersencel zijn, die daaraan is gewijd. Wij vogelaars moeten dus voor ieder soort een cel hebben. die speciaal aan die soort is gewijd. Die ‘vuurt’ alleen als je die soort ziet of eraan denkt. Zo zullen we cellen hebben voor Giervalk, Dwerguil en Sneeuwuil, een paar goede soorten van 2008, maar ook voor de Amerikaanse Bonte Zanger. Een nieuwe cel moet dus makkelijk te stichten zijn, door de naam van de soort te noemen en er een plaatje van te zien. Als je je realiseert dat de Amerikaanse Black-throated Blue Warbler een soort is die in het afgebeelde kleed al eens op IJsland is gezien, dan heb je er meteen al een cel voor gesticht!

Hoe werkt de herkenning ?

Het herkennen van wat we zien is bijzonder ingewikkeld. Zo ingewikkeld dat het niet veel zin heeft om dat hier te bespreken. Er zijn globaal twee theorieën over hoe het herkennen in zijn werk gaat:
bottom up: hierbij analyseren we wat we zien en dat vergelijken we met wat we hebben opgeslagen; dit is wat je doet als je geheel onbevangen (of zonder enige kennis ) naar een vogel kijkt;
top down: we zien wat we al verwachten dat we gingen zien. De context (de omgeving, het jaargetijde, de waarnemingen in omringende landen, de soorten die gisteren op die plek zijn gezien) bepaalt voor een deel mee wat we verwachten.

Vaak is een determinatiefout voor een belangrijk deel te wijten aan een ongebruikelijke context. Een flink aantal mensen reisden ooit af naar een Poelsnip in Lexkesveer bij Wageningen, die was herkend aan zijn trage gedrag en rustige vlucht. Uiteindelijk bleek het om een Watersnip te gaan. Ook werd ooit een eerste-winter Zwartkopmeeuw gefotografeerd en herkend als een Lachmeeuw, omdat de laatste soort op die plek (onterecht) geclaimd was !

geen Poelsnip maar Watersnip - Geen Lachmeeuw maar een Zwartkopmeeuw
Links: Geen Poelsnip, maar een zieke Watersnip. rechts: geen Lachmeeuw, maar een Zwartkopmeeuw Foto links Arnoud B van den Berg, Foto rechts Hans Gebuis

Ook bij de foute determinatie van een Steppekiekendief op de Hoge Veluwe (seizoen en omringende waarnemingen), en bij die van een Steppevorkstaartplevier bij Budel-Dorplein (locatie) had de context locatie een belangrijke rol.

Bijna een Steppenkiekendief en bijna een vorkstaartplevier
Links: Geen Steppenkiekendief, die je in juni zou verwachten op de Hoge Veluwe, maar een Grauwe Kiekendief. Rechts: een Vaal Stormvogeltje, die je echt niet verwacht op een trektelpost in het zuidoosten van het land, maar geen Steppenvorkstaartplevier ! Foto links Phil Koken, Foto rechts René Weenink

Een heel bekend geval is de ‘Keizerarend’ va Ommen, die daar in de winters van 1962/63 en 1964/65 verbleef. De vogel leek een recht afgesneden staart te hebben, en dat was voor de destijdse top van de vogelaars reden om hem als Keizerarend te determineren. De waarneming heeft meer dan 20 jaar als eerste geval op de Nederlandse lijst gestaan. Op de foto is –nu we gewapend zijn met de veel betere kennis van tegenwoordig– echter duidelijk een Zeearend te zien.

De Arend van Ommen en de Valk van de Kroonspolders
Links : De ‘Keizerarend’ van Ommen van de winters 1962/63 en 1964/1965 had weliswaar een rechte staart, maar was daarom toch een Zeearend, zoals elke tegenwoordige vogelaar met de huidige kennis onmiddellijk zou zien. (uit Bierman W H 1964. De arend van Ommen Limosa 37 Foto H.E. Smidt van Gelder) Rechts: een kleine Torenvalk met een korte (afgesleten) staart is nog geen Kleine Torenvalk ! Foto Hans ter Haar

Misschien wel het bekendste geval van een verkeerde context is de Krombekstrandloper in de Putten van Petten met de gebroken snavel, die veel vogelaars totaal op het verkeerde been zette door zijn korte snavel. De vogel was ontdekt door een Engelsman, en in die tijd dachten we nog dat iedere Engelse vogelkenner veel beter was dan alle Nederlandse, zoals Nederlandse topschakers vroeger altijd bang waren dat ieder Moskouse taxichauffeur ze zou kunnen verslaan.

Krombekstrandloper geen Bonapartes Strandloper
De ‘Bonapartes Strandloper’ van Petten was een Krombekstrandloper met een gebroken snavel. Foto Arie de Knijff

INTERMEZZO: De vaststelling van contrasten

Er zijn veel vormen van zelfbedrog, en gezichtsbedrog is daar een mooi voorbeeld van. Heel vaak heb je als vogelaar nauwelijks last van vormen van gezichtsbedrog, maar er is één probleem dat zich kan voordoen bij het zien van een vogel in struikgewas. Het blijkt namelijk dat de hersenen zo sterk kunnen interpreteren dat het vrijwel onmogelijk is om objectief te zijn. Kijk maar eens naar onderstaand plaatje.

Grijs vierkant optische ilusie

De vlakken die zijn aangegeven met A en B zijn precies even grijs. Dat is, als je er rustig naar kijkt, bijna niet te geloven. Dat komt omdat de hersenen de schaduw die de staande cilinder werpt meteen meenemen in de interpretatie van het beeld. Als we alle irrelevante beelden stap voor stap afschermen, is te zien dat beide vlakjes even grijs zijn

Voor het weergeven van de inhoud op deze pagina is een nieuwe versie van Adobe Flash Player vereist.


We kennen allemaal vogelaars die heel gemakkelijk zijn in het determineren van moeilijke soorten. Deze vogelaars, soms ook wel stringers genoemd, zien als het ware op hun netvlies, vanuit hun geheugen, al de kenmerken die ze eigenlijk nog moeten proberen vast te stellen. Ook de wens om een zeldzame vogel te zien kan wel eens de vader van de gedachte zijn. Dat zie je wel als een zeldzame vogel wordt teruggevonden, maar het niet blijkt te zijn. Dat noemen vogelaars wel een spookwaarneming.

De ‘Weber-fractie’

Een ander aspect van het waarnemen van vogels is de schatting van de grootte. Bij het schatten van grootte maken we gebruik van perspectivische aspecten, en de snelheid van bewegen. Van vogels die over zee vliegen en die in de blauwe lucht vliegen is de grootte notoir moeilijk te schatten. Het is al heel lang bekend dat het zonder directe vergelijking niet mogelijk is om een grootteverschil van minder dan ongeveer 20% te schatten. Dat noemen we de ‘Weber-fractie’. Er zijn eigenlijk maar twee soorten waarbij de grootteschatting van groot belang was bij de determinatie: de Brilgrasmus en de Arendbuizerd.

Brilgrasmus IJmuiden
De herkenning van de eerste Brilgrasmus van Nederland was pas rond toen op exact dezelfde plek van de foto links een liniaal werd gefotografeerd, zodat de grootte van de vogel objectief kon worden vastgesteld ! Foto links René van Rossum Foto rechts Edward van IJzendoorn

Dat grootteschatting op zee heel moeilijk is bleek uit de incorrecte determinatie van een Kuhls Pijlstormvogel bij Vlissingen, die bij nader inzien een Jan van Gent bleek. Het grootteverschil tussen beide soorten is enorm !

Falsificatie


Wat heel belangrijk is bij het leren een kritische vogelaar te zijn is het principe van de falsificatie. Dat is het trachten het tegendeel te bewijzen van wat je denkt. Met andere woorden: bij een zeldzame soort, een Poelsnip bijvoorbeeld, kun je je afvragen hoe het nu komt dat je niet aannemelijk kunt maken dat het de gewone soort (de Watersnip) is, en niet de zeldzame soort. Als dat niet lukt heb je een belangrijk element in handen, ook voor latere kritische vragen (“Waarom was het geen ...?”). Bij het zojuist besproken geval van de Jan van Gent is dat kennelijk ook niet of niet voldoende gebeurd. Heel vaak blijkt dat het trachten aan te tonen dat de waargenomen soort niet de zeldzame, maar juist de gewone soort is, leidt tot sterke argumenten vóór de uiteindelijke definitieve determinatie!

Van de waarneming naar het geheugen


Bij vluchtige waarnemingen, bijvoorbeeld op trektelposten aan zee of in het binnenland, of overvliegende vogels op andere plekken, is er na de waarneming het volgende probleem: de verwerking in het geheugen. Zoals we allemaal wel weten van de moderne misdaadwetenschap is het geheugen een bijzonder slechte raadgever. Als er een spannende gebeurtenis is geweest met vijf getuigen, dan zijn er altijd zes verhalen: één van elke getuige en een heel ander verhaal, namelijk dat wat er werkelijk gebeurd is. iedere keer dat je je een voorval herinnert, wordt deze –bij wijze als een als een computerfile– opgehaald en vervolgens weer weggeschreven. De herinnering verandert dus voortdurend. Ieder vogelaar kent wel gevallen waarvan de foto van het geval langzaam de echte ‘veldherinnering’ heeft verdrongen.
Je ziet bij vogelaars vaak twee uitersten: sommige herinneren zich na een waarneming niet zo heel veel en worden steeds twijfelachtiger, anderen sterken zich juist steeds meer in hun mening. Dat kan soms zo ver gaan dat er soms ineens kenmerken worden genoemd, die eerder niet waren opgemerkt. Dan is het oppassen geblazen! Iedereen kan zich wel gevallen herinneren waarbij de juiste kenmerken werden vastgesteld aan de verkeerde vogel !
Heel vaak zie je tekenaars ‘veldschetsen’ maken waarbij je je afvraagt of de tekenaars de vogel eigenlijk wel hoeven te bekijken om de schets te kunnen maken ! Een wel heel bekende schets, die van de Daurische Kauw in Katwijk, is duidelijk geen veldschets –en ook niet als zodanig bedoeld– omdat de verhouding tussen de vogel en de omringende begroeiing zodanig is, dat de vogel reusachtig groot lijkt. Een van de bekendste ‘veld’schetsen van Nederland, die van de juveniele Renvogel (één van een groep van tien) van de Hamert, in september 1969. De veldschets is overduidelijk niet in het veld gemaakt. De slagpennen, die normaal in het veld niet of nauwelijks te zien zijn, lijken angstig veel op die van de vogel die is afgebeeld in de Concise Guide to British Birds, destijds het enige boek waar een juveniele Renvogel in was afgebeeld.

Image
Links: de herinneringssticker van de Daurische Kauw van Katwijk (ontwerp Arnold Meijer), met zeer laag gras! Rechts: de veldschets van de juveniele Renvogel van de Hamert, naast de afbeelding van de Renvogel uit de Concise guide to British Birds. In de veldschets vallen de lage begroeiing, de merkwaardige zichtbaarheid van de slagpennen (horen onder de tertials te vallen) en de lichte slagpentoppen (heeft een juveniele Renvogel helemaal niet !) op.

Zonder een oordeel te vellen over de correctheid van de waarneming kan worden gesteld dat het geheugen van de tekenaar zonder enige twijfel sterk is beïnvloed door de afbeelding die hij kende, en misschien wat minder door wat er werkelijk te zien is geweest!

Tunnelvisie en emotionele besmetting


Nadat we iets hebben waargenomen, vergelijken we dat met het ‘vogelboek’ in onze hersenen. Vaak hebben we meteen een idee (: zeldzame soort!) en vervolgens zoeken we meestal naar argumenten om de hypothese te bevestigen of te verankeren. We willen heel graag een mooi patroon zien, een mooie zeldzaamheid die past in ons vogeltripje, precies de soort die we altijd hadden willen zien. Deze wens noemen we de narratieve misleiding. Tegenargumenten (: maar is het niet doodgewoon een ... ? ) worden afgezwakt, om toch vooral de eerste hypothese te kunnen bevestigen. Dit is wat we tunnelvisie noemen. De wens om onze eerste hypothese te bevestigen is heel groot. Iedere vogelaar kan in zijn of haar eigen geheugen hele reeksen van gevallen van verkeerde determinaties opnoemen waarbij tunnelvisie een belangrijke rol heeft gespeeld. In alle gevallen waarvan hier foto’s zijn opgenomen heeft tunnelvisie zeker een rol gespeeld.
De verankering van de eerste hypothese kan ook gevoed worden door een zekere zelfoverschatting van onze kennis: de epistemische arrogantie. Er worden fouten gemaakt (iedereen weet tenslotte niet alles), maar het toegeven ervan is ook naar jezelf toe niet altijd even makkelijk!

Dikbekfuut was geen dikbekfuut
Emotionele gijzeling van een gote groep vogelaars op Vlieland (links) bij een fout gedetermineerde Dikbekfuut (rechts), die een Dodaars bleek te zijn. Foto links Martijn Bot Foto rechts Kees de Vries


Bij het ontstaan van tunnelvisie speelt nog een ander fenomeen een rol en dat is de emotionele besmetting. Als een ander een zekere emotie ondergaat (‘Hé, daar gaat een zeldzame soort!’) dan onderga je voor een deel ook dezelfde emotie, of je het nu wilt of niet. De spiegelneuronen in de hersenen zijn hier verantwoordelijk voor. Die zorgen ervoor dat je een emotie onbewust waarneemt en gedeeltelijk overneemt. Daarnaast is bij het waarnemen grotendeels hetzelfde hersengebied actief als bij het denken aan een waarneming. Dus het is goed denkbaar dat als iemand een verkeerd determinatie maakt, je onbewust bereid bent om met de foutdeterminatie in te stemmen, al was het maar om hetzelfde gevoel te krijgen!
We zijn allemaal wel eens groepsgewijs heel blij geweest met een determinatie, die soms kort daarop en soms pas na een hele tijd werd weerlegd. De eerder getoonde fout gedetermineerde Poelsnip, Steppenkiekendief, Bonapartes’ Strandloper, Keizerarend en Dikbekfuut zijn daar allemaal mooie voorbeelden van.

Conclusie
Er zijn een aantal valkuilen (niet de vogelsoort, maar de kuil!) die bijna alle vogelaars wel eens meemaken. Tunnelvisie, epistemische arrogantie, narratieve misleiding, we weten er allemaal wel voorbeelden van. Wat kun je doen om het risico op een verkeerde determinatie te verkleinen, is de vraag die naar voren zou kunnen komen.
Er zijn een aantal zaken aan te wijzen die iedereen tot een betere vogelaar zouden kunnen maken:


Eenmaal in het veld, dan is de vogelaar alleen, althans alleen met de vogels, de omstandigheden en de collega-vogelaars. De volgende tips zullen altijd van pas komen:


In dit artikel hebben we geprobeerd een aantal oorzaken van foute determinaties aan te stippen en laten zien dat niemand ontkomt aan dit fenomeen. We hopen dat er voldoende stof voor nadenken is geleverd. Wat we zeker hopen, dat er voortaan minder foutdeterminaties op zullen optreden !

Naar begin artikel

Wim Janssen, Wim Wiegant, Leo Heemskerk